Jutters registreert etniciteit cliënt
‘Registratie van etnische herkomst van GGZ-cliënten zou verplicht moeten worden’.
Afgelopen week waren de resultaten van het onderzoek dat mijn collega’s en ik bij De Jutters hebben gedaan ineens voorpaginanieuws onder de kop: “Stoornis allochtone jongeren vaak niet behandeld” (Volkskrant 19 januari). Naar aanleiding daarvan stelde Kamerlid Tofik Dibi vragen aan het kabinet in de persoon van minister Van der Laan (Integratie). Deze bleek de zorgen van het GroenLinks-kamerlid te delen. Volgens de minister kunnen onze resultaten onder andere verklaard worden doordat ‘in allochtone kringen psychiatrische stoornissen een taboe zijn’. En hij kondigde aan dat ‘2010 het jaar moet worden van het doorbreken van dat taboe’. Voor ons als onderzoekers is het vreemd om plotseling zoveel aandacht te krijgen voor resultaten die we zelf al een jaar kennen, maar die pas volgende maand (februarinummer van Tijdschrift Kind & Adolescent) officieel gepresenteerd worden aan het wetenschappelijk forum. Alhoewel de rol in de schijnwerpers ons vreemd is, willen we de minister graag steunen in zijn voornemen. En in één moeite door willen we daar ook nog wel een advies aan vastknopen.
De uitspraak van Van der Laan past in een lange traditie van ferme en minder ferme uitspraken van politici, bestuurders in de GGZ en hulpverleners. Zo publiceerde het ministerie van VWS in 2006 de ‘Beleidsvisie GGZ’ waarin de doelstelling was opgenomen dat ‘De Nederlandse overheid er naar streeft om de GGZ toegankelijk te maken voor alle groeperingen in de samenleving’. Het probleem dat de GGZ slecht toegankelijk is voor mensen van niet-Nederlandse herkomst was toen onder hulpverleners echter al lang bekend. Vorig jaar was er zelfs een jubileumcongres vanwege het feit dat wij 25 jaar bezig zijn met de Interculturalisatie (het toegankelijk maken voor mensen uit alle culturen) van de zorg. De nieuwswaarde van onze bevinding dat jongeren van niet-Nederlandse herkomst een veel kleinere kans op adequate behandeling voor hun psychiatrische problemen hebben, is dus eigenlijk niet zo groot dat het een plaats op de voorpagina verdient. We wisten het al lang en de GGZ doet er al decennialang van alles aan. Het enige nieuwe aan onze publicatie is dat we voor het eerst harde cijfers hebben die laten zien wat al die inspanningen van goedbedoelende beleidsmakers hebben opgeleverd. En dat is geen resultaat om trots op te zijn.
Ons onderzoek bij De Jutters, een instelling voor Jeugd-GGZ in Haaglanden is bijzonder omdat daarin voor het eerst de resultaten van de registratie van de etnische herkomst van cliënten naar buiten worden gebracht. We stellen dat de resultaten niet afwijken van de Jeugd-GGZ in andere grote steden en leggen daarmee de bewijslast voor het tegendeel bij onze collega’s. Laten zij maar eens aantonen dat ze er in slagen om de immigrantenkinderen beter te bereiken. Met de registratie van de herkomst (vastleggen van het geboorteland van het kind en van de ouders) en het naar buiten brengen van de gegevens doorbreken we een taboe. Dit lijkt overigens een typisch Nederlands taboe, want in Amerikaanse publicaties over de psychiatrie wordt in de regel het ‘ras’ van de onderzoeksgroep gewoon gemeld. Omdat de Nederlandse zorginstellingen de herkomst van hun cliënten niet hoeven te registreren, bleek onderzoek naar het realiseren van goede voornemens betreffende interculturalisatie in het verleden onmogelijk. Dus ook minister Van der Laan zal zonder een goede herkomstregistratie nooit weten of zijn mooie plan tot resultaat leidt. Dat lijkt ons nogal frustrerend, dus daarom willen we graag met de minister meedenken.
Ik pleit al langer voor een goede herkomstregistratie. Dat gebeurt nu in een paar instellingen die graag hun interculturalisatiebeleid willen toetsen, maar zou landelijk moeten gebeuren. In het Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid van september 2009 heb ik, samen met twee collega’s een oproep gedaan tot een landelijke registratie. In dit artikel hebben we alle bezwaren die we in de praktijk tegenkwamen opgesomd en weerlegd (“het mag niet”, “het is stigmatiserend”, “het is gevaarlijk” etc.). Onze oproep om tot een goede landelijke registratie over te gaan is tot nu toe niet gehoord. De GGZ zou zich echter kunnen spiegelen aan het onderwijs. Ook daar is van alle basisschoolleerlingen de herkomst vastgelegd. Dit heeft er toe geleid dat het probleem van de onderwijsachterstand van leerlingen van niet-Nederlandse herkomst helder werd. Daardoor kon worden getoetst dat het beleid om deze leerlingen extra ondersteuning te geven, vruchten afwerpt. Over van etnische herkomst in het onderwijs in Nederland lijkt echter consensus te bestaan. In een kenniseconomie is het belangrijk dat ieder, ongeacht herkomst, zijn talenten kan waarmaken. Dat de GGZ belangrijk genoeg is om tot registratie over te gaan is echter nog niet op beleidsniveau doorgedrongen.
Uit ons onderzoek blijkt dat immigrantenkinderen met psychiatrische problematiek de weg naar de hulpverlening slecht vinden. Dat is triest voor de kinderen zelf, maar het levert ook veel maatschappelijke schade op. Voor kinderen met gedragsproblemen is die schade op basis van onze cijfers duidelijk aan te wijzen. We zien de jongens uiteindelijk wel in de zorg als ze via de rechter worden doorverwezen naar de forensische psychiatrie. De kans om daar terecht te komen blijkt voor jongeren van Antilliaanse en Marokkaanse herkomst meer dan drie keer zo groot dan voor jongeren van Nederlandse herkomst. Alles wijst er op dat de samenleving bij tijdige onderkenning van hun stoornis een stuk goedkoper was uitgeweest. Daarnaast is er natuurlijk een groep die ook baat zou hebben bij adequate hulp, maar zelden het nieuws haalt. Van kinderen met niet-behandelde angst- of stemmingsstoornissen is het moeilijk uit te rekenen hoeveel schade de samenleving oploopt omdat ze niet zijn in staat zijn hun talenten te ontwikkelen. Ze veroorzaken echter een stuk minder maatschappelijke overlast en zijn dus politiek niet zo urgent als jongeren die het criminele pad op gaan.
Ik wil Van der Laan voorstellen om samen met zijn collega Klink eens na te denken over verplichte registratie van de herkomst van GGZ-cliënten. Alleen dan is toetsbaar welke maatregelen van de overheid om de GGZ toegankelijk te maken voor alle bevolkingsgroepen, werken. Hij kan dan ook toetsen of 2010 echt het jaar van het doorbreken van het taboe is geworden. De GGZ is nu al 25 jaar bezig het probleem op te lossen. Misschien dat enige druk van bovenaf er voor kan zorgen dat we niet nog eens 25 jaar nodig hebben.
Albert Boon is psycholoog/onderzoeker bij De Jutters, Centrum voor Jeugd-GGZ Haaglanden en De Fjord Centrum voor Orthopsychiatrie en Forensische Psychiatrie in Capelle aan den IJssel. Samen met Anna de Haan en Sjouk de Boer heft hij onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid van de Jeugd-GGZ voor jongeren van niet-Nederlandse herkomst.
Op vrijdag 26 februari verschijnt het artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Kind en Adolescent. Het onderzoek is gratis te downloaden via deze link: www.bsl.nl/ka.